Selecteer een pagina

“Kijk die Speedo van mijn vader dan!”, grinnik ik tegen de echtgenoot terwijl ik blader door mijn fotoalbum. Dankzij onze recente verhuizing kom ik steeds spullen tegen die ik al even niet in mijn handen heb gehad. Terwijl we nog wat grapjes maken, zien we op de volgende bladzijde een fotoreportage van mijn vader met een blozende baby in zijn armen. Hij kijkt met trots naar de mollige wangetjes en buigt op elke foto net iets verder naar voren om uiteindelijk op foto vijf te eindigen met zijn lippen op het voorhoofd van de baby. Uit alles blijkt de liefde voor het kind in zijn armen.

Die baby ben ik. Uiteindelijk bleek ik ook het enige levende kind te zijn dat voortkwam uit het huwelijk van mijn ouders. Mijn vader en ik hadden altijd al een speciale band. Dat kwam mede omdat mijn ouders een verdeling hadden waarin mijn moeder meer aan het werk was en mijn vader meer voor mij zorgde. Hij stond met zijn fiets bij school om 15.00 uur, regelde speeldates en bracht me naar blokfluit- en tennisles. Ik struinde samen met mijn knuffels in een poppenwagen naast hem door onze weilanden, keek met ontzag hoe hij zelf een vijver maakte en genoot van het buiten zijn. In mijn herinnering was mijn vader altijd buiten, in een om zijn billen heen slobberende spijkerbroek en met gebruinde armen.

Onze band werd alleen maar hechter toen mijn moeder ziek werd. Hij was mijn rots in de branding, mijn veilige baken in die tijd vol onzekerheid en angst. Toen mijn moeder steeds zieker werd en papa en ik regelmatig samen ontbeten voor het grote raam in de keuken, vroeg hij me eens hoe ik mama’s begrafenis voor me zag. Ik kan me het gevoel van pijn nog herinneren, alsof er iemand heel hard op mijn middenrif stampte en alle lucht me ontnomen werd. ‘Ik wil niet praten over mama’s begrafenis!’, jammerde ik, om vervolgens, in een wanhopige poging mijn tranen te verbergen, mijn hoofd nukkig weg te draaien. Natuurlijk had mijn vader mijn tranen allang gezien en liet hij mij wijselijk met rust.

Na het overlijden bleven we met zijn tweetjes achter in het grote huis aan een buitenweg. Het huis voelde leeg zonder mijn moeder. Toch creëerden we al snel onze eigen rituelen. Elke donderdagavond keken we ‘All you need is Love’ vanuit de grote leesstoel in de kamer. We pasten er samen in, mijn benen over zijn sterke benen, mijn hoofd losjes tegen zijn veilige borst. Achteraf geloof ik nooit dat hij dit voor zijn lol keek, maar op dat moment liet hij dat niet merken en genoot ik vooral van het samenzijn. Met dikke tranen keek ik hoe stellen en gezinnen herenigd werden en hoopte ik zo dat er ook een ‘All You Need Is Love’ voor ons gezin zou zijn. Alsof er opeens aangebeld werd door Robert ten Brink, hij de legendarische woorden ‘kom maar eens mee naar de bus om de hoek’ sprak en mijn moeder in levenden lijve ons tegemoet rende.

Onze band bleef altijd sterk ook al kwam er in mijn puberjaren en als eind twintiger best wat druk op te staan. Mijn vader is mijn grootste fan. Hij kluste naarstig mee bij de koop van ons eerste gezamenlijke huis, juichte ons toe toen we de bergen in Italië op fietsten, vervulde zijn opa-rol met verve, was dolenthousiast (oké, na eerst wat kritische vragen gesteld te hebben) toen ik daadwerkelijk besloot mijn hart te volgen en weer te gaan studeren en stond me zeer nabij tijdens het dragen van mijn ziekteproces. Bij elke chemo die ik kreeg, zorgde hij, samen met zijn vrouw, dat hij ook aanwezig was. Meestal voor maximaal een half uurtje, maar er wel op toeziend dat alles liep zoals nodig was. Samen met de echtgenoot stopte hij zijn ziel en zaligheid in de bouw van een veranda onder het mom van ‘dan kan Veerle met kaal hoofd ook buiten zitten’. Met een welbekend tikje op het keukenraam kondigde hij zijn bezoekjes aan, soms alleen even om de liefkozende vraag: ”Hoe gaat het wijffie?” te stellen.

Vorig jaar juli kreeg ik een telefoontje terwijl ik net op mijn Italiaanse balkon een glas water achterover sloeg. “Niet schrikken Veerle, het valt allemaal mee”, waren mijn vaders eerste woorden. Dat het uiteindelijk niet meeviel, bleek in november, toen uit beenmergpunctie twee bleek dat er nu wel kankercellen zaten. Wederom gooide die akelige ziekte ons leven op zijn kop.

Vandaag was hij, sinds maanden, weer even bij mij. Van die stoere, gebruinde man is niet veel meer over, alhoewel zijn broek nog steeds om zijn billen slobbert, dit keer omdat hij zeker tien kilo mist. De twinkeling in zijn ogen en zijn grapjes zijn verdwenen. De heftige behandelingen hebben hun tol geëist. Na vijf minuten vertrekt hij weer naar huis. Schuifelend beweegt hij zich naar de auto en laat zich moeizaam zakken op de bijrijdersstoel. De rest van de ochtend spelen herinneringen en gedachtes door mijn hoofd. Ik ben bang, bang om hem te verliezen terwijl ik hem, ook al ben ik inmiddels 39 jaar, nog helemaal niet wil missen. Allebei zijn we kampioen in het zo min mogelijk uitspreken van onze emoties naar elkaar. Tegenwoordig draai ik mijn hoofd niet meer om als ik mijn tranen wil verbergen, maar loop ik naar de keuken onder het mom van ‘even iets te drinken pakken’. En net als vroeger ziet hij mijn waterige ogen heus wel, maar houdt hij wederom zijn mond…