Selecteer een pagina

‘Ik had toen we hier de laatste keer wegreden niet gedacht dat ik de volgende keer als kankerpati├źnt zou terugkomen’, zeg ik tegen mijn oom en tantes. We zijn op ons jaarlijks uitje en drinken, zoals traditie, bij een Haj├ę wegrestaurant een versnapering. Het haardvuur is aan, maar de behaaglijke warmte bezorgt me een opvlieger. De wol van mijn trui prikt op mijn huid en mijn haarstuk lijkt van mijn hoofd te glijden. Voor even wens ik dat ik in bikini zit. Het blijft een bijzondere sensatie voor iemand die het altijd koud had.

Na de drink- en plaspauze vervolgen we onze weg. Dit laatste stuk staat ook bol van de vaste gewoontes. Mijn tante die moppert dat mijn oom te laat remt, de TomTom die nog steeds geen update gehad heeft en ons daarom verkeerd stuurt. Vervolgens een verkeerde afslag waardoor we een stuk snelweg heen en weer terug rijden, maar gelukkig is daar Google Maps en iets later dan gepland nemen we de laatste afslag naar links. Een lange laan met keitjes en aan weerszijden bomen leidt ons naar de parkeerplaats. Bestemming bereikt; het Wilhelminabos in Dronten.

‘Ik laat mijn haarstuk in de auto want niets zo lelijk als een verzopen bever op mijn hoofd’, zeg ik. Er wordt wat instemmend gebromd terwijl ondertussen de wandelschoenen aangetrokken worden. Krentenbollen en een appel gaan mee. Die kneuterigheid biedt me een fijn gevoel van houvast. We starten onze wandeltocht langs de mispelbomen, dit jaar niet vol meer omdat we betrekkelijk laat zijn. Bij het tweede pad komen we een eerste gedicht tegen. We vervolgen onze weg en komen uit bij de gedenkplek. Daar, op een van de glazen zuilen, staat haar naam: Carla Brouwer- van Beurden.

Mijn moeder koos 24 jaar geleden voor een crematie. Als ik me niet vergis, is haar as uitgestrooid in de tuin van het crematorium. Niet echt een plek waar je bijeen komt om te herdenken. Wat een uitkomst was het Wilhelminabos, waar we in 2001 een boom ter nagedachtenis aan haar plantten en haar naam lieten vereeuwigen op een zuil. Sinds dat jaar gaan we jaarlijks die kant op, omstreeks haar verjaardag, om haar te herdenken en herinneringen op te halen. Fijn dat er op deze manier toch ergens een gedenkplek is, beamen we alle vier.

We vervolgen onze weg, van de gedenkplek af en dieper het bos in. We lopen langs bomen die geplant zijn in andere jaren. Vanaf een van de bomen aan de rand lacht een mooie dame van ongeveer mijn leeftijd mij toe. Haar foto hangt aan de grootste tak en het lijkt alsof ze wil zeggen; geniet van het leven. In mijn keel komt een brok, confronterend terwijl ik daar loop met mijn korte koppie. Na een korte zoektocht omdat het bos steeds weer lijkt te zijn veranderd, vinden we ‘Mama’s boom’. Waar we begonnen met een piepklein boompje, is deze inmiddels uitgegroeid tot een flinke boom die met zijn takken naar de hemel reikt.

Kippenvel over mijn armen als kort daarna de motregen stopt en de zon toch nog voorzichtig doorbreekt. ‘Ze wil vast laten zien dat ze trots is’, zegt mijn tante. Met die gedachte in mijn achterhoofd vervolgen we onze wandeling door het bos, waar leven en dood heel mooi dicht bij elkaar komen.

Een speciale dank aan al mijn lieve ooms en tantes die afgelopen 24 jaar ieder op zijn of haar eigen manier heel speciaal voor mij zijn